Het Magisch Realisme in de literatuur

Gelijktijdig met het Magisch Realisme in de schilderkomst ontstond een gelijknamige stroming in de literatuur waar het begrip door de Italiaanse schrijver Massimo Bontempelli (1878 - 1960) werd geïntroduceerd.
In de Nederlandstalige literatuur zijn het vooral de Vlamingen Johan Daisne (1912 - 1978) en Hubert Lampo (1920-2006) die het Magisch Realisme hanteerden. In Nederland zelf zijn geen schrijvers te vinden die zich tot deze stroming rekenen al zou men in delen van het werk van Simon Vestdijk (1898-1971) en Ferdinand Bordewijk (1884-1965) sporen van Magisch Realisme kunnen ontdekken. Kenmerkend voor de literaire stroming is wel dat de vertegenwoordigers zich zelf niet rekenen tot een groep gelijkgezinden maar dat het echter een verzamelbegrip is geworden voor vergelijkbare maar vaak in verschillende landen op verschillende tijden en onafhankelijk van elkaar opduikende kunstzinnige initiatieven met dezelfde basisgedachten.

Zowel Daisne als ook Lampo publiceren naast hun Magisch Realistische fictie ook non-fictie met betrekking tot dit onderwerp. Beiden beschouwen het niet als een tijdgebonden stroming, die voornamelijk door haar verhouding tot de aan haar voorafgaande stromingen gedefinieerd moet worden, maar als uitdrukking van een tijdsonafhankelijke levenshouding.

Johan Daisnes theorie omtrent het magisch-realisme is uitgewerkt in het nawoord van zijn roman De trap van steen en wolken en in zijn opstel Letterkunde en magie (later onder de titel 'Wat is magisch-realisme?' verschenen). Aan de basis van zijn literair werk ligt een wereldbeeld dat uitgaat van twee polen die samen de werkelijkheid vormen: enerzijds de nuchtere, rationele realiteit en anderzijds de fantastische, irrationele droom. Magisch Realisme ontstaat uit de spanning tussen die polen. waaruit af en toe een vonk overslaat, "welks licht even een bovenzinnelijkheid onthult, een waarheid achter de werkelijkheid van leven en droom" (Daisne; 1966). In het latere klassiek Magisch Realisme wordt er afgezien van een kunstmatig opladen van de polen. In de plaats komt nu een beschrijving van de werkelijkheid die beide aspecten omvat, de realiteit en de droom, samengevoegd tot één geheel. Op die manier wordt de tekst plausibel en realistisch, wat zijn magisch effect versterkt.

Hubert Lampo zet zich met zijn Magisch Realistische theorie af van vroegere concepten. In werken zoals 'De draad van Ariadne' (later: 'Joachim Stiller en ik'), 'De zwanen van Stonehenge', 'Terug naar Stonehenge' of 'De wortels der verbeelding' introduceert hij een nieuwe benadering. De hoeksteen van deze theorie vormt C.G. Jungs dieptepsychologie en diens 'collectieve onbewuste'. Het laatste bevat volgens Jung de archetypen. Dat zijn overkoepelend in iedereen aanwezige en overgeërfde, maar niet voor iedereen even vrij beschikbare grondpatronen van menselijke denkbeelden en motieven. Zo vertegenwoordigt bijvoorbeeld het moeder-archetype een soort prototypisch beeld van moederlijkheid. Terwijl veel archetypen, zoals anima, animus, schaduw of God, afkomstig zijn van Jung, vult Lampo deze reeks ook zelf aan. Het magische effect van zijn literatuur ontstaat volgens hem door een bepaalde kracht die van de archetypen uitgaat. Deze komt tot stand door het lange evolutieproces dat eraan voorafgaat en de daarmee verbonden selectie, die alleen die beelden tot archetypen liet uitgroeien die een sterke emotionele werking op de mensen hadden. Als nu de schrijver erin slaagt om archetypes in de lezer op te roepen, dan verkrijgt zijn tekst een magische werking.