Het Magisch Realisme in de schilderkunst

Na de moderne kunstontwikkelingen met steeds abstracter wordende creaties aan het begin van deze eeuw keerde het tij eind jaren twintig. Zowel in het buitenland als in Nederland begonnen kunstenaars, onafhankelijk van elkaar, terug te grijpen naar het realisme. Geen klassiek realisme zoals in de negentiende eeuw, maar een realisme in een nieuwe vorm gegoten.

 

Het begrip Magisch Realisme is in 1923 geïntroduceerd door Frans Roh die in zijn opstel 'Nach-Expressionismus. Magischer Realismus. Probleme der neuesten Europäschen Malerei' over de kunstschilder Franz Haider uit München over 'magischem Realismus' spreekt. Hij duidde op een nieuwe stroming in de schilderkunst die in de beginjaren van de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond en die zowel met de begrippen 'Neue Sachlichkeit' als met 'Magischer Realismus' werd aangeduid. Aanvankelijk had het begrip een negatieve klank en duidde daarmee schilderwerken aan die niet tot het Impressionisme of het Expressionisme gerekend konden worden. Een gemeenschappelijk kenmerk van deze werken was echter wel een aan het Realisme denkende schildertechniek waarbij het motief door zijn onwaarschijnlijke compositie van de op zich realistische elementen de werkelijkheid overstijgt. Daarnaast leidt een ongewoon perspectief tot een licht maar wezenlijk vervreemdend gevoel.
Toen de kunstcriticus J. Slagter in 1933 het stilleven 'Twee duiven' van Raoul Hynckes had gezien, was hij hogelijk verbaasd over het licht: "Het is niet het licht zooals wij dat kennen; het heeft iets raadselachtigs; zijn wij in een spelonk? Er is ook een kleine verschuiving in de kleuren: zij zijn niet helemaal onnatuurlijk en ook niet natuurlijk. Zij versterken het karakter van het bovenzinnelijke."

In Nederland zijn vooral Albert Carel Willink, Raoul Hynckes ,Pyke Koch, Wim Schuhmacher en Dick Ket de bekendste vertegenwoordigers van het Magisch Realisme.